De hoorn klinkt
De hoorn klinkt, de jachthoorn, het gaat beginnen. Om de hoorn heen heel zacht de strijkers, het is nog mistig, tremolo, es-majeur, (Es-Bes-Es-G-Bes), alles aarzelt nog hierbuiten op het veld van de muziek. Eerst haast twijfelend, dan aanzwellend, steeds wat duidelijker scheurt de hoorn door de grijze flarden en geeft richting aan de luisteraar alsof je naar een ree aan de bosrand tuurt. Bes, want de hoorn staat in F, maar weet je, laat maar, dat hoef je allemaal niet weten. De hoorn speelt Bes, lang aangehouden, (wordt wakker, staat alert!) dan die lagere bronstroep, de Es (die weerklink in je borstkas), nu de korte, haast felle Es, een stoot na en vervolgens terug naar de oerroep, de lange Bes.
En precies dan hoor ik de eerste tik. In Bruckners 4de
symfonie, gedirigeerd door Eugen Jochum, gespeeld door de Berliner
Philharmoniker. De naald van mijn Dual platenspeler spat precies daar waar mijn
vroegere platenspeler, precies dezelfde Dual, ook voor het oor pikte, en van
dan af is de plaat, de hele plaat thuiskomen. Ik lig weer op mijn enorme
lederen bank, de bank van mijn grootvader, met van die grote kussens in
pastelruiten ruige wollen hoezen. Ik lig in mijn kamer aan de Oudezijds
Achterburgwal en hoor seksgangers buiten, zachtjes opgewonden praten. Mensen
waren nog niet zo luid toen. De plaat was een doos opgestuurd, ik was lid van
Boek en Plaat en vergat altijd te betalen of af te zeggen, in ieder geval had
ik na die twee jaar ruim dertig schitterende opnames, voornamelijk van Duitse
klassiekers, maar ook veel Vivaldi en andere prachtige vroege barok.
De geluidsboxen waren zo best niet, schel en nauwelijks bas,
maar ik had een basspeaker uit een oude radio gesloopt en die kruislings
aangesloten als woofer en maakten we wijs dat het nu geweldig was. Heel soms
zette ik een enorme koptelefoon op, ook een Dual, bedenk ik me. Maar dan hoorde
ik buiten niet en dat was minstens zo spannend daar al boven in mijn kamer.
Ik draaide klassieke muziek, en was 19 jaar oud, misschien
20 en het was 1975, dan ben je niet meer te helpen. Nou ja, Beatles dan, als
buiging voor mijn tijd en omdat ik kon herkennen waar het eigenlijk klassiek
was.
Het stoutste dat ik ooit had gedaan op mijn grootgroeikamer
was een meisje dat met haar hoofd door het raam stond, de terugweg naar binnen
onmogelijk maken door het schuifraam naar beneden te duwen, vervolgens haar
rokje op te tillen, haar over haar blote billetjes te aaien en toen dat
instemmende bewegingen teweegbracht, haar van achter als een woeste kunstenaar
te bezitten. Ze vond het alleraardigst, at nog een biefstukje mee, viel naast
me op de bank in slaap en verdween uit mijn leven ondanks het briefje waar een
X op was getekend met een lippenstift, en daarnaast een afdruk van haar mond,
gemaakt door de vers gestifte lippen.
Heeft dat wat met Bruckner te maken? Ja, natuurlijk, grootst
en meeslepend is Bruckner. Die vierde dendert door je kamer, door je ziel,
steeds sneller sleurt hij je mee naar het oneindige dat met zware slagen van
pauken wordt aangekondigd. Bruckner is van nu, Bruckner is van God. Bruckner
daagde God uit. Zijn diepe boerengeloof, zijn stugge kop, zijn liefde voor
majestueuze orgels, Bruckner schreeuwde de schepping met al haar moois uit, ook
voor dit jochie aan de Oudezijds. Jaren hoorde ik Bruckner, ik hoorde alle
Bruckners, maar telkens weer kwam ik terug bij deze uitvoering. Een versie die
door kenners juist als niet origineel wordt beschouwd, een versie niet
nauwelijks in de geluidsapparatuur van toen paste maar, hé even, met mijn
krassen en pitten, puilend over de randen van mijn Dual, inmiddels vele malen
beter versterkt door een Onkyo monster en vloeiend mijn werkkamer ingedragen
door de Wharfedales aan linker en rechterzijde.
De oude man kijkt naar vogels buiten, die tsjilpen al
voorjaar, voorjaar. Terwijl die laatste enorme aanzwelling komt, terwijl de
ruimte zich opent, terwijl Bruckner op zijn knieën zakt van ontzag voor zijn
God…. denk ik alsmaar: hoe heette ze nou alweer, dat meisje.

Reacties
Een reactie posten