Sonate No. 1 in G mineur
Die opening, die lang aangehouden bijna jammerende toon, dan
weg nootjes, die telkens terug komen op een dubbelklank en daarin dwars door je
gevoel snijden. Het adagio van de sonate no 1 in G mineur BWV 1001. Het lijkt
wel alsof Bach voor het eerst een viool vast heeft en wat voor zich uit krast,
en direct doorheeft wat een effecten een viool kan hebben. Het is ook pas na
een minuut of drie dat de eerste versiering is te horen. Dan gaan we samen naar
het einde van het Adagio. De tijd heeft hij al lang stil gezet en langzaam, een
toon, die verder weg lijkt te geraken, klaar. De meester heeft even viool leren
spelen
Mijn grootvader had een oom van zijn moeders zijde, dat was
de beroemde bioloog Leendert Alexander Johannes Burgersdijk (1828-1900). Een
man die alles kon. Zijn leerlingen kwamen er echter achter dat hij geen viool
kon spelen. Hij lachte en zei: kom over een twee weken maar terug. En hij speelde
viool alsof hij nooit anders had gedaan. Hij vertaalde ook de complete
Shakespeare omdat hij zijn vrouw wilde meenemen naar een voorstelling van een
rondtrekkend Engels toneelgezelschap en eenmaal bezig met vertalen hij er niet
zo goed mee kon stoppen. Nog steeds hoor ik Shakespeare zo graag van hem.
Het laatste deel van deze sonate, Presto,
hoor ik opeens een bekend loopje, de muziek heeft geen schuchterheid meer.
Alleen een virtuoze waterval van noten die heen en weer gieren. Oneindig. Tot
een korte toon ineens een einde maakt aan het machtsvertoon.
Morgen de Partita, oké?

Reacties
Een reactie posten